vrijdag 28 maart 2014

Gedeisd


In het stadje Szekszárd is de voorzitter van de lokale afdeling van de DK – de liberale partij van ex-premier Ferenc Gyurcsány die ook deel is van de progressieve oppositiecoalitie – een plaatselijke ondernemer. Mij kan niemand onder druk zetten om mijn politieke activisme want ik verdien mijn eigen inkomen, dacht hij. Klopt, maar dat neemt niet weg dat zijn ex-vrouw en zijn zoon, die beiden in Szekszárd in overheidsdienst werken, wel werden benaderd door de plaatselijke macht (Fidesz) met de mededeling dat dat tegendraadse politieke activisme van hun ex-man/vader ‘natuurlijk niet erg gunstig was voor hun loopbaan.’

Alleen Fidesz
Of neem de kleuterleidster met DK-sympathieën die op een private bijeenkomst met vrienden en kennissen fel de huidige Fidesz burgemeester van haar dorp kritiseerde. Een paar dagen later werd ze bij de directrice van de lokale kleuterschool geroepen die haar namens de burgemeester meedeelde ‘dat dit de eerste en de laatste keer was dat ze zich zo negatief over hem uitliet.’ En er is de ambtenares die al meer dan 15 jaar werkte als expert arbeidszaken van de Hongaarse delegatie in Brussel en die van de ene op de andere dag te horen kreeg dat ze kon gaan omdat ze te links-liberaal was. En de architect in dienst van een buitenlandse onderneming in Hongarije die zich tegenover een klant wat snerend uitliet over het beleid van de huidige regering en vervolgens door zijn baas, de lokale Hongaarse manager die openlijk pro-Fidesz is, op staande voet werd ontslagen.

Dit soort verhalen is legio. Het is leraren verboden om in het openbaar te klagen over de gang van zaken op hun school of de werkwijze van KLIK, het nieuwe centrale bureau dat niet alleen beslist over elk wissewasje in elke openbare school van Hongarije maar ook over aanstelling en ontslag van onderwijzend personeel. De vele honderden zo niet duizenden ambtenaren die de afgelopen jaren door Fidesz zijn ontslagen omdat ze als politiek onbetrouwbaar golden, staan op een virtuele zwarte lijst om te zorgen dat geen enkele overheidsinstantie of semi-overheidsinstantie hen nog aanneemt. Het is voor buitenlandse journalisten moeilijker dan ooit om mensen te vinden die willen zeggen wat ze echt denken over de politieke situatie, zeker als er een TV camera aan te pas komt. En de samenstellers van opiniepeilingen moeten tegenwoordig vier- tot vijfduizend mensen opbellen om een “representatieve steekproef van duizend respondenten” bij elkaar te schrapen, aangezien de grote meerderheid weigert hun vragen zelfs maar anoniem en aan de telefoon te beantwoorden (tot een jaar of drie geleden werkte 1 op de 2 mee, nu is dat 1 op de 3 a 4).

Want de boodschap is duidelijk en wordt heel goed begrepen. Wie zich openlijk en actief tegen de huidige regering keert, riskeert daarmee zijn baan bij de overheid, de semi-overheid, zoals het onderwijs en de culturele sector, en zelfs bij een hoop private bedrijven die ofwel goede banden hebben met de machthebbers ofwel afhankelijk zijn van opdrachten van die overheid (media en reclame, de bouw, de dienstverlening. Het zal lang niet altijd echt gebeuren, maar je loopt wel dat risico. En premier Orbán wakkert die angst in zijn speeches, bijvoorbeeld op de 15e maart, ook keer op keer aan. 'Wij Hongaren zijn in oorlog met de multinationals, met de bureaucraten in Brussel, met slinkse linkse en liberale machten uit het buitenland die ons willen koloniseren en knechten. Er zijn maar twee mogelijkheden: ofwel je bent een trotse Hongaar en je steunt ons ofwel je bent een verrader van de nationale zaak en een lakei van het buitenland.' Is het een wonder dat zelfs veel van degenen die niet geloven in alle nationalistische en populistische slogans – en dat zijn er helaas veel te weinig –zich liever net als het grote gros van de bevolking gedeisd houden. Zoals een campagneleider van de socialistische partij MSZP recent verzuchtte: ik schat dat de overgrote meerderheid van onze activisten inmiddels zijn of haar baan is kwijtgeraakt.

Ik ben de eerste om te erkennen dat de oppositie er de afgelopen vier jaar niet veel van heeft gebakken. Ze was te verdeeld, te verward, te weinig zelfkritisch, vernieuwend en professioneel en zal mede daarom deze 'verkiezingen' hoogstwaarschijnlijk verliezen. Maar er zijn bepaald ook factoren die zo'n uitkomst vrijwel onvermijdelijk maken, van de gemanipuleerde kiesregels en de beperkte mediavrijheid tot dit soort praktijken die het voeren van een zeer actieve huis-aan-huis campagne wel heel moeilijk maken. "Er heerst een klimaat van angst en apathie, maar de stem die kiezers op 6 april a.s. uitbrengen is nog wel geheim en vrij en daarvoor moeten we de bevolking mobiliseren," aldus oppositieleider Gordon Bajnai optimistisch. Het klinkt als een laatste strohalm.

dinsdag 18 maart 2014

Bang voor debat



Verkiezingsdebatten in Nederland mogen vaak saai, verwarrend, irritant en – met hun ingestuurde oneliners en grappen – zelfs deels gespeeld zijn, ze zijn en blijven een verschijnsel dat het wezen van de democratie uitdrukt. Een aantal dames en heren debatteren over van alles en nog wat en dan beslissen de kiezers wie ze het beste (of het minst slecht) vinden.

Wat mij betreft is het dan ook tekenend dat er in Hongarije aan de vooravond van de parlements verkiezingen van 6 april geen enkel debat plaatsvindt. Want? Want Fidesz en Viktor Orbán weigeren al sinds 2006 aan welk debat dan ook deel te nemen. In Nederland wemelt het tegen verkiezingstijd van de debatten tussen lijsttrekkers: bij de publieke omroepen, bij de commerciëlen en de regionalen, op de radio, bij de geschreven pers en in zaaltjes. Overal gaan politici met elkaar in debat, want dat is waar democratie om draait. Toch?
Maar Viktor Orbán heeft opnieuw de uitdaging van de oppositie voor een TV debat afgeslagen, zoals hij dat ook in 2010 deed en zoals Fidesz dat altijd en overal doet. Dat begon allemaal in 2006, toen Viktor Orbán een TV debat verloor van de toenmalige socialistische kandidaat premier Ferenc Gyurcsány. Hij heeft Gyurcsány die “vernedering” (want zo ziet hij het) nooit vergeven en sindsdien is het vermijden van serieus debat de partijstrategie van Fidesz. Dat gaat zo ver dat – en ik spreek hier uit persoonlijke ervaring – Fidesz politici zelfs uitnodigingen afwijzen van organisaties van buitenlandse ondernemers of buitenlandse journalisten in Hongarije  om te komen praten over een bepaald onderwerp (onderwijs, belastingen, hondenpoep van mijn part). Ze komen alleen als zij de enige spreker zijn, zodra er sprake is van een politicus van een andere partij die ook aanwezig is, doen ze niet mee. Debat past klaarblijkelijk niet in hun beeld van wat een democratie is.

Verder campagnenieuws:

- Volgens de nieuwe Fidesz wetgeving mogen partijen bij deze verkiezingen maximaal 1 miljard forint (3,3 miljoen euro) per partij uitgeven aan de verkiezingscampagne. Transparency International houdt de stand precies bij en wat blijkt? Eind februari (met de voornaamste vijf weken van campagne nog te gaan) zitten alle oppositiepartijen nog redelijk onder dat bedrag. Maar Fidesz heeft al 2,2 miljard uitgegeven en is dus fors in overtreding van haar eigen wetgeving.
Niet formeel natuurlijk, want zo doet de partij dat. Een groot deel van de campagne wordt gevoerd door een Fidesz mantelorganisatie die plakkaten ophangt, demonstraties organiseert en pamfletten verspreidt en daarnaast krijgt de bevolking op grote schaal “regeringsinformatie.” Maar iedereen weet wat dat betekent, zoals iedereen weet dat die soldaten op de Krim Russische soldaten zijn, dat het WK voetbal in Qatar is gekocht en dat Kim Jong-un van Noord Korea niet de steun heeft van 99,9% van de bevolking.

- In datzelfde kader worden er opeens ongelofelijk veel linten doorgeknipt van weer nieuwe projecten die moeten bewijzen dat Hongarije onder Orbán het beter doet. Openingen in de tweede helft van maart: het nieuwe Kossuth plein voor het parlement, de nieuwe (vierde) metrolijn, het nieuwe Design Centre bij het Deák plein, het gerenoveerde Vigadó theater aan de Donau en het vernieuwde Olympisch Park naast het parlement (vergeet ik er nu nog een of twee, de gerenoveerde Bazár aan de voet van de Burchtheuvel?). Natuurlijk is er op zich niets tegen als er wordt vernieuwd en gerenoveerd (allemaal overigens voor 90% op kosten van dezelfde EU waar Orbán altijd zo tegen tekeer gaat, maar met Brussels geld is niets mis). Toch is het nogal doorzichtig om alles net nu officieel te openen, vooral omdat de meeste projecten zo overduidelijk nog helemaal niet af zijn.

- De nieuwe Fidesz regels stimuleren nieuwe splinterpartijtjes om aan deze verkiezingen mee te doen. De overheid geeft voor vele miljoenen forinten subsidies aan nieuwe partijen terwijl de controle op de besteding van dat geld minimaal is. Wie het een beetje handig speelt, zo waarschuwden critici al bij voorbaat, kan ook al krijgt hij geen stem een aardige som overhouden. En dus hebben we inderdaad een aantal partijtjes op de kieslijst waarvan iedereen weet dat ze fake zijn. Maar intussen wordt wel de verwarring voor de zwevende kiezer alleen maar groter, temeer daar sommigen van die namaakpartijen namen hebben die sprekend lijken op namen die door de echte democratische oppositie worden gebruikt.
Ook zijn er duidelijke aanwijzingen dat een aantal van die partijtjes fraude hebben gepleegd om op de kieslijst te komen (het kopiëren en vervalsen van handtekeningenlijsten die aan moeten tonen dat ze voldoende steun in het land hebben). Maar de Nationale Kiescommissie weigert dat vóór de verkiezingen zelf uit te zoeken en laat die partijtjes toch gewoon meedoen.

- Tenslotte de opiniepeilingen. Daarin doet de oppositie het nog steeds slecht. Zo'n 40% is nog steeds zwevend, en Fidesz krijgt bij mensen die zeker weten dat ze naar de stembus gaan 40-50% van de stemmen, de democratische oppositiecoalitie 25-30% en de rechts-radicalen van Jobbik 15-20%. Maar wat ik een onthullend cijfer vind, is dat een onderzoeksbureau ongeveer 4000 mensen moet afwerken om uiteindelijk een representatieve steekproef van 1000 personen te krijgen. Want maar liefst drie op de vier mensen weigeren mee te doen en te zeggen of en op wie ze gaan stemmen. Heeft zo’n onderzoek statistisch dan eigenlijk nog wel waarde? Zowel de democratische als de rechts-radicale oppositie hopen van niet en zeggen dat ze nog altijd een kans maken om, ondanks alle manipulaties van de regering Orbán, te winnen.

maandag 3 maart 2014

Zelfs met 100.000en stemmen meer, verliest de oppositie nog.



Volgens Robert Lászlo van het wetenschappelijke instituut Political Capital zal de oppositie in Hongarije bij de verkiezingen op 6 april a.s. 300.000 stemmen meer moeten krijgen dan regeringspartij Fidesz om evenveel zetels binnen te halen. In andere woorden, zelfs als de oppositie tot 6% meer stemmen weet te winnen dan Fidesz, verliest ze de verkiezingen nog omdat Fidesz dan nog steeds meer zetels heeft in het parlement.

Volgens László is dat vooral het gevolg van de manier waarop Fidesz geheel eenzijidg de nieuwe kiesdistricten heeft ingedeeld. Zo zijn veel traditioneel linkse kiesdistricten opgeknipt. In het district Hajdu Bihar bijvoorbeeld (zie plaatje) won de MSZP in 2006 in 3 van de 9 districten en Fidesz in 6, maar zou Fidesz volgens de huidige regels bij exact dezelfde stemmenverdeling als destijds alle zes nieuwe kiesdistricten winnen.Tegelijk zijn de traditioneel linkse kiesdistricten die zijn overgebleven systematisch tot wel 30% groter dan kiesdistricten die traditioneel rechts zijn, zodat  Fidesz dus systematisch minder stemmen nodig heeft om een district en dus een zetel in het parlement te veroveren.  Dit onderstreept de conclusie van een reeks andere waarnemers dat er zeer grote vraagtekens geplaatst moeten worden bij de eerlijkheid van het nieuwe Hongaarse kiessysteem. Of zoals een enkeling het formuleert: deze verkiezingen zijn wel “free” maar niet “fair.”

Intussen reizen Fidesz ministers sinds de officiële start van de verkiezingscampagne half februari stad en land af en strooien met dure beloftes en cadeaus.Volgens weekblad HVG is in de afgelopen twee weken door vertegenwoordigers van de regering al voor een slordige één triljoen forint (drie miljard euro) aan uitgaven toegezegd. De minister van justitie bezocht zijn thuisstad Vesprém met de mededeling dat een nieuwe Fidesz regering een schuld van 600 mlj forint (2 mlj euro) overneemt die is gemaakt ten behoeve van de bouw van een sportstadion. De minister van defensie opende een nieuw kunstencentrum (!) in de stad waar hij kandidaat is. Een staatssecretaris in het bureau van de premier kondigde in Tatabánya aan dat een nieuwe Fidesz regering ook een schuld van die stad van 6 miljard forint (20 mlj euro) overneemt. Verder keurde de regering een voorstel goed om een nieuwe voetbalacademie te bouwen in een deelgemeente van Boedapest, kreeg de stad Makó de bouw toegezegd van een nieuwe grenspost en de stad Pécs een nieuwe basketbal academie. Tegelijk worden overal in het land informatiebijeenkomsten gehouden over de nog verdergaande daling van de kosten voor gas, elektra en water die de burgers dankzij de Fidesz regering tegemoet kunnen zien.

Tegelijk klaagt de oppositie steen en been over de zeer beperkte mogelijkheden die het heeft om verkiezingspropaganda te bedrijven, omdat dat soort activiteiten dankzij nieuwe regelgeving van de Fidesz regering sterk is ingeperkt en de oppositie een ernstig gebrek heeft aan geld en nauwelijks toegang tot de media en de advertentiemarkt. Openbare verkiezingsdebatten, bijvoorbeeld op TV of radio, zijn er niet (daar werkt Fidesz niet aan mee), dus ook dat is geen manier om de publieke opinie te beïnvloeden.De democratische coalitie “Samenwerking” beperkt zich vooralsnog noodgedwongen grotendeels tot kraampjes op drukke punten in de stad en het direct aanspreken van kiezers op straat, met in de planning een soort wanhoopsoffensief met posters en advertenties in de laatste twee weken voor verkiezingsdag. Je weet tenslotte maar nooit. De gebeurtenissen in Oekraïne roepen bij heel wat Hongaren ongemakkelijke herinneringen op aan Boedapest 1956 en Praag 1968. In dat licht is de “wending naar het Oosten” die Orbán voorstaat (zie de deal die hij nog maar zes weken geleden sloot met Putyin over uitbreiding van de kerncentrale in Paks en een grote financiële lening) misschien toch niet zo gelukkig?




dinsdag 25 februari 2014

De feiten achter de feiten


Aan de vooravond van de verkiezingen benadrukt de regering Orbán dat er eindelijk weer schot zit in de economie, dat mensen minder betalen voor gas, elektra en water, dat het werkloosheidscijfer daalt, de inflatie afneemt en salarissen weer stijgen. Kortom, “Hongarije doet het beter” (Magyarország jobban teljesít), aldus de Fidesz slogan.

Anderhalf miljoen mensen in diepe armoede
György Barca is een van de weinige Hongaarse economen van naam die deze visie ondersteunt. Kijk simpelweg naar de feiten en je ziet dat het land vooruit gaat, benadrukt hij. Er is eindelijk weer economische groei, al is het nog weinig (0,6% in 2013, ongeveer 1% in 2014). De inflatie is gedaald tot onder de 1% (het laagste in 40 jaar), de werkloosheid is omlaag van 11% naar 9,2%, het overheidstekort is nu al twee jaar onder de 3% grens van Brussel en de staatsschuld is afgenomen tot onder de 80%. Ook de daling in het afgelopen jaar van de prijzen voor gas, elektriciteit, water, huisvuilverwerking e.d. is met harde cijfers aan te tonen. Dit zijn de feiten waar het om gaat, aldus Barcza, de rest is speculatie en theorie.

Met “de rest” doelt hij op de waarschuwingen van de meeste andere Hongaarse economen, van de EU, van de OECD, van het IMF enz. dat achter de ogenschijnlijk mooie cijfers een aanzienlijk somberder toekomstperspectief schuilgaat. Want wat zijn de feiten achter de feiten?

Neem de lichte economische groei van dit moment. Die is vrijwel volledig het resultaat van twee factoren “van buiten”: het aantrekken van de Duitse economie waardoor de autofabrieken in Hongarije meer verkopen en het uitzonderlijke goede weer het afgelopen jaar waardoor de landbouw een recordoogst had. Maar de rest van de industrie en handel doen het helemaal niet goed, consumenten geven nauwelijks geld uit en er wordt nauwelijks geïnvesteerd (op EU subsidies in overheidsprojecten na). Terwijl premier Orbán glashard beweert dat de economische groei volgend jaar tot wel 4% kan stijgen (let wel, hij voorspeelde ook voor 2011, 2012 en 2013 groeicijfers van 4-6% terwijl de werkelijkheid nul of negatief was), denken de meeste economen dat de Hongaarse economie in 2015 en daarna weer terug zal vallen.

Of neem het lagere werkloosheidscijfer: daarin worden ruim 200.000 mensen in de werkverschaffing (werken tegen de helft van het minimumloon op straffe van verlies van uitkering) als nieuwe banen meegerekend, evenals de banen van naar schatting 100.000 Hongaren die in het buitenland werken maar zich niet uit Hongarije hebben uitgeschreven. En dan zijn er ook nog de honderdduizenden Hongaren die op zoek naar een baan wel volledig zijn geëmigreerd en die dus niet meer als werkloos te boek staan. Dat is goed voor de statistiek maar kun je nauwelijks een verdienste van de regering noemen: “Hongarije doet het beter, want jongeren vertrekken massaal.” De harde werkelijkheid is dat in de private sector in Hongarije de werkgelegenheid niet toeneemt omdat er geen enkele groei is.

Of het lage inflatiecijfer: dat is voor een belangrijk deel te danken aan het geforceerde overheidsingrijpen in de prijzen van gas, elektra en water. Dat oogt leuk vlak voor de verkiezingen, maar leidt zeker op termijn tot verliesgevende energie en waterbedrijven die – of ze nu van de overheid zijn of privaat – niet meer in staat zijn te investeren in onderhoud en vernieuwing.

Het overheidstekort dat onder de 3% is dan? Dat is voor een groot deel bereikt door in 2011 de private pensioenspaargelden a raison van 10 miljard euro (2.945 miljard forint) te nationaliseren. Al dat geld is in de afgelopen drie jaar opgesoupeerd om de begrotingen sluitend te krijgen, met alle gevolgen van dien voor de pensioenvoorziening in de toekomst. En waar moet het geld voor de begroting vandaan komen nu dat spaarpotje op is? Nu al komen de eerste berichten naar buiten dat een begrotingstekort onder de 3% voor 2014 en 2015 mogelijk niet haalbaar is. Daarnaast blijken de niet betaalde schulden van overheidsinstellingen dramatisch te zijn gegroeid, van 100 miljoen euro in 2010 naar 300 miljoen in 2013. En zo zouden er nog wel eens heel veel meer lijken uit de kast kunnen komen vallen. Het is vrijwel een gegeven dat de kosten voor de Russische lening en voor de uitbreiding van de kerncentrale in Paks hoger uitvallen dan nu wordt gesuggereerd. Ook de wisselkoers van de forint verslechtert en is nu al min of meer permanent rond de 310 forint voor 1 euro, wat ernstige consequenties heeft voor de vele Hongaren met schulden in harde valuta en voor de overheidsschuld.

Kortom: het economisch beleid van deze regering is gebouwd op drijfzand, kunstgrepen, het nemen van onverantwoorde risico’s en voortmodderen. Dat gaat al drie jaar goed en kan gemakkelijk nog jaren “goed” gaan. Maar het is, zeggen de meeste deskundigen, geen beleid dat op termijn houdbaar en duurzaam is. Potverteren werkt maar even, eens moeten alle rekeningen betaald worden.

En natuurlijk is voor een deel van de bevolking het leven in de afgelopen drie jaar beter geworden. De inkomens boven modaal zijn er door belastingwijzigingen dik op vooruit gegaan. Duizenden mensen hebben overheidsbanen gekregen om de posten te vullen van degenen die zijn weggezuiverd. In het onderwijs en de gezondheidszorg krijgen heel veel mensen nu opeens een forse loonsverhoging, ook al is dat dan in de meeste gevallen geen volledige compensatie voor wat ze in de twee jaar daarvoor waren kwijtgeraakt. En iedereen ziet op zijn maandelijkse gasrekening dat de prijs van gas nu even omlaag gaat. Maar voor heel veel mensen is het leven, als je alles bij elkaar optelt en aftrekt, niet beter geworden, integendeel. Veelzeggend is dat in de afgelopen drie jaar het aantal Hongaren dat onder de armoedegrens leeft, is gestegen van drie naar vier miljoen.

zondag 16 februari 2014

De dubbelzinnige houding van de regering Orbán tegenover het antisemitisme.



Symbolisch voor het ontbreken van gezond verstand en goede smaak in het huidige Hongarije, zo betitelde het blad The Budapest Beacon de verkiezingsbijeenkomst afgelopen zaterdag in de voormalige synagoge van het stadje Esztergom. De rechts-radicale partij Jobbik, een vergaarbak van Hongaren die met regelmaat openlijk hun afkeer van joden, zigeuners, linksen en liberalen ventileren en hun sympathieën voor bepaalde autoritaire regiems uit de jaren dertig niet onder stoelen of banken steken, kwam bijeen in het oude gebedshuis van de Joods Hongaarse gemeenschap van Esztergom, dezelfde plek vanwaar in 1944 vijfhonderd van hen door de rechts-radicale Hongaarse nationalisten van die tijd werden gedeporteerd naar Auschwitz.

Demo tegen de aanwezigheid van Jobbik in de synagoge.
Pogingen om de bijeenkomst tegen te houden, liepen op niets uit. De Fidesz meerderheid in Esztergom weigerde de gang van zaken te veroordelen en ging uit van het legalistische standpunt dat het onmogelijk is om de verhuur van het gebouw, al jarenlang een gemeentelijk cultureel centrum, aan welke politieke partij dan ook te verhinderen. Formeel misschien geen speld tussen te krijgen, maar politiek en moreel beneden peil. En in die zin weer heel symbolisch voor de dubbele houding die Fidesz al heel lang aanneemt tegen het antisemitisme.
Juist die eeuwige dubbelzinnigheid van Fidesz is nu de reden dat een overweldigende meerderheid van de grootste organisatie van Joodse Hongaren, Mazsihisz, heeft besloten om de door de regering georganiseerde activiteiten in het kader van het Holocaust Herdenkingsjaar (1944-2014) te boycotten tenzij premier Orbán snel een paar serieuze concessies doet. Een geduchte tegenslag voor de regering Orbán die met dat herdenkingsjaar hoopte haar zeer gedeukte en gebutste reputatie op dit punt aanzienlijk op te kunnen vijzelen.
Er was het laatste half jaar bepaalde sprake van een PR offensief om te ‘bewijzen’ dat de regering Orbán niets te verwijten valt als het gaat om antisemitisme maar dat de echte vijand op dat punt Jobbik is. Een aantal zogenaamde “gematigden” uit het Fidesz kamp legden ten overstaan van buitenlanders verklaringen af waarin werd benadrukt dat de Hongaarse regering tegen antisemitisme is en daarop diverse acties heeft ondernomen en waarin spijt wordt betuigd voor de vergaande samenwerking van heel veel Hongaren en Hongaarse autoriteiten in de jaren ’30 en ’40 met de nazi’s.
Dat klinkt mooi en zulke activiteiten zijn er inderdaad, maar tegelijk probeert de regering Orbán om radicaalrechtse kiezers van Jobbik af te snoepen. En dus laten minder gematigde Fidesz politici zich voor binnenlands publiek bij tijd en wijle aanzienlijk minder correct uit op dit punt zonder dat ze worden teruggefloten, worden bekende radicaalrechtse figuren benoemd op leidende posten in de cultuursector of de media, zijn diverse notoire antisemitische politici en schrijvers uit de vorige eeuw gerehabiliteerd en bijvoorbeeld opgenomen in het nationaal curriculum voor met middelbaar onderwijs, worden radicaalrechtse initiatieven (Horthy beelden, Horthy straten) op formalistische gronden geen strobreed in de weg gelegd en is in de nieuwe grondwet opgenomen dat de Duitsers de volle verantwoordelijkheid dragen voor de Holocaust in Hongarije. Het getuigt allemaal niet alleen van slechte smaak, maar ook van een gebrek aan gezond verstand want als de geest eenmaal uit de fles is, is ze niet zo makkelijk terug te krijgen.
Drie recente regeringsinitiatieven van deze aard waren de druppels die bij Mazsihisz de emmer deden overlopen. Ten eerste wil de regering een museum openen ter nagedachtenis van Joodse kinderen die in de Holocaust omkwamen, maar heeft ze het project onder leiding geplaatst van een omstreden historica uit eigen kring en is er geen enkel serieus overleg met Joodse organisaties over de invulling van het initiatief. Op de tweede plaats heeft de regering ook aan het hoofd van een nieuw historisch instituut een omstreden historicus uit eigen kring benoemd, een man die nauwe banden heeft metrechtsradicale kringen en die recent in een interview een massamoord op duizenden joden uit Hongarije in 1942 bagatelliseerde. En de regering is vast van plan om in Boedapest een monument op te richten dat “de bezetting” van Hongarije door nazi-Duitsland in maart 1944 herdenkt en dat door zeer velen wordt gezien als een bevestiging dat deze regering de verantwoordelijkheid voor de moord op honderdduizenden Hongaarse joden op de eerste plaats bij Hitler legt (terwijl ze in werkelijkheid voor een heel groot deel bij de Hongaren lag).

Drie jaar lang heeft Mazsihisz geprobeerd met de regering Orbán te overleggen, compromissen te sluiten en Fidesz zo ver te krijgen dat ze haar dubbelzinnige beleid vaarwel zegt en zich consequent van het antisemitisme afgrenst. Het besluit om het Holocaust Herdenkingsjaar te boycotten tenzij de regering Orbán snel een aantal drastische en serieuze concessies doet, is een laatste poging het tij te keren. Of het zal werken? Ik betwijfel het. Bij Viktor Orbán is opportunisme altijd belangrijker geweest dan principes, goede smaak of gezond verstand.