In de overheidsmedia in Hongarije mag geen melding worden
gemaakt van daklozen die omkomen door de vrieskou, zegt het Hongaarse Sociale
Forum (MSZF). Volgens de organisatie komen er meer dan 300 daklozen per jaar
om door blootstelling aan de vrieskou, maar weigeren de overheidsmedia daar
melding van te maken. Het is slechts een van de voorbeelden in de afgelopen
weken die duidelijk maken dat er in Hongarije een vorm van “soft censorship” bestaat.
![]() |
De oppositie eist een referendum over de Paks kerncentrale. |
Volgens de MSZF bestaat er bij overheidsmedia een verbod op “elke
vermelding van een overlijden door blootstelling aan de vrieskou.” De organisatie
wil dat er wel aandacht aan dit soort gevallen wordt besteed om zo de bevolking
bewust te maken van het bestaan van dit serieuze probleem, maar zegt dat al
haar pogingen om deze “censuur” te doorbreken op niets zijn uitgelopen. In de
afgelopen drie jaar zijn er volgens de MSZF meer dan duizend Hongaarse daklozen
door de kou omgekomen, velen omdat ze door de overheid tegenwoordig worden
geweerd uit de binnensteden (dankzij een grondwetswijziging kunnen locale
overheden nu harder optreden tegen daklozen die in de binnenstad proberen te
schuilen in metrostations en andere beschutte plekken) en ze dus op koudere
plekken overnachten. Omdat deze winter voorlopig zeer mild is, is het dodental
dit jaar tot nu toe laag (88).
In mijn vorige blog meldde ik al dat de regering op 24
januari per decreet verkiezingspropaganda langs snelwegen, grote kruispunten en
op lantarenpalen en elektriciteitsmasten verbood. Op 28 januari stelde
vervolgens de gemeenteraad van Boedapest een verbod in op verkiezingspropaganda
op en bij de bruggen over de Donau, monumentale gebouwen, metrostations, bomen
e.d. Daarmee zijn de meeste plekken die bij elke verkiezing sinds 1990 altijd
vol hingen met affiches, stickers en wat dies meer zij nu verboden, uiteraard
‘ter bescherming van het monumentale stadsgezicht en het milieu,’ aldus de
gemeente. Ook besloot het bedrijf dat reclameborden verhuurt in de metrotreinen
en –stations in de hoofdstad om geen verkiezingsreclame toe te staan, zodat de
oppositie ook daar niet terecht kan. Wat over blijft zijn de officiële
reclamezuilen en –borden, maar die zijn voor 60-80% in handen van aan Fidesz
gelieerde bedrijven en hangen vol met regeringspropaganda.
Verder verwisselde afgelopen maand een van de twee grote
commerciële TV zenders, het verliesgevende TV2, van eigenaar. De nieuwe
eigenaren zijn officieel twee topfunctionarissen van TV2, maar die hadden absoluut
het geld niet om het station te kopen. Ze hebben daarom het volle bedrag van de
aanschaf geleend van het verkopende Duitse bedrijf dat tot nu toe eigenaar was
van TV2. Dat is natuurlijk merkwaardig en critici vermoeden dat daar een of
andere financiële garantiestelling van een derde partij achter zit en dat TV2 via
een stroman constructie nu in feite in Fidesz handen is. Overigens mogen de
commerciële TV en radio, die nu voor het overgrote deel in handen zijn van aan
Fidesz gelieerde bedrijven, volgens de nieuwe kieswet alleen reclame voor politieke partijen uitzenden
als ze die reclametijd gratis weggeven (en dan moeten ze ook alle partijen
dezelfde zendtijd geven). Daar komt dus in praktijk weinig tot niets van
terecht. Het betekent ook dat er maar twee commerciële stations waar de
oppositie nog op een enigszins normale manier aan bod komt, het
uitgesproken linkse Klub radio (dat dankzij de regering al haar frequenties
buiten de hoofdstad kwijt is) en het neutrale TV station ATV (dat een beperkt
budget en dus ook een beperkt bereik heeft).
De socialisten hebben dezer dagen een boycot ingesteld tegen
de publieke TV zenders uit protest tegen de manier waarop ze door die zenders
worden behandeld. De nieuwsuitzendingen zijn diplomatiek gezegd nogal regeringsvriendelijk,
in gewone mensentaal: propaganda-uitzendingen van de regering. Volgens de
nieuwe Fidesz wetgeving ruimen ook de publieke TV- en radiozenders van de
overheid maar zeer beperkt tijd in voor verkiezingsspotjes. De democratische oppositie
krijgt in 50 dagen verkiezingscampagne ongeveer … drie minuten.
Alle dag- en weekbladen moeten zich van tevoren bij de
overheid aanmelden als ze verkiezingsadvertenties aan politieke partijen willen
verkopen en bekend maken wat hun tarieven zijn. Wie op deze lijst staat, moet
aan alle partijen verkopen en wie niet op de lijst staat, mag aan niemand
verkopen. Wat opvalt is dat twee grote regeringsgezinde publicaties, gratis dagblad
Metropool en het dagblad Het Hongaarse Volk (Magyar Nemzet) niet op de lijst
staan. Dus terwijl de weinige overgebleven ‘linkse’ publicaties als
Népszabadság, HVG of Magyar Narancs Fidesz advertenties accepteren (de
bladen hebben geen keus want zijn straatarm) kunnen rechtse bladen die zwaar worden gesubsidieerd via allerlei overheidsreclame zich veroorloven
oppositieadvertenties te weigeren.
Wat overblijft voor de oppositie is het versturen van materiaal
per post aan alle 8 miljoen kiesgerechtigden. Maar dat kost een slordige acht miljard forint
(25 miljoen euro) en de oppositie is arm. Dat is geen probleem voor het
CFO, de zogenaamd onafhankelijke organisatie die ter ondersteuning van de
regering demonstraties organiseert, de stad vol plakt met affiches en ja, ook
aan iedereen materiaal per post toestuurt. Waar de organisatie, die uiteraard
ontkent verkiezingspropaganda te bedrijven, het geld voor die activiteiten
vandaan haalt, wil ze niet zeggen. Maar het is een publiek geheim dat de
Fidesz regering enorme overheidssubsidies naar de club toe sluist.
Rest nog de constatering dat er hoogstwaarschijnlijk van
enig rechtstreeks verkiezingsdebat – in den lande of op TV – geen sprake zal
zijn. Fidesz en Orbán weigeren tot nu toe consequent zulk een rechtstreekse confrontatie.
Wie vindt dat dit alles de typische kenmerken zijn van een
vrije, open en eerlijke verkiezingsstrijd waarin de bevolking een serieuze afweging
kan maken op wie te stemmen, mag het zeggen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten